| Historie
Rond 1600 bestond het noordelijke gedeelte van het gewest Holland uit meer water dan land. Door inklinking van het oorspronkelijke veen, stormvloeden en afkalving waren in het gebied ten noorden van Amsterdam grote meren ontstaan. De toenemende wateroverlast bedreigde de steden. Daarnaast ontstond door de groeiende stadsbevolking een steeds grotere behoefte aan landbouwgrond voor de voedselvoorziening. De door de handel rijk geworden kooplieden zochten naar nieuwe investeringsmogelijkheden en bedachten plannen om de grote meren droog te maken. Door nieuwe technische ontwikkelingen konden deze plannen worden gerealiseerd.
In 1607 diende een groep investeerders het verzoek in bij de Staten van Holland om het Beemstermeer te mogen droogmaken. Het initiatief werd genomen door een wat wonderlijke combinatie van een groep Amsterdamse kooplieden en Haagse bestuurders, verbonden door de gebroeders Cromhout van wie de een burgemeester van Amsterdam was en de ander een hoge functionaris in Den Haag. Deze Haagse connectie zorgde ervoor dat het verzoek om het grootste meer van noordelijk Holland droog te maken binnen enkele weken werd gehonoreerd.
De bedijkers spraken tevoren af hoeveel grond zij in de nieuwe polder zouden verkrijgen. Naar rato van die hoeveelheid werden de kosten verdeeld. Dat betekende dat de investeerders tussen 1607 en 1612 per morgen (0,85 ha) waarop ze hadden ingetekend, ƒ 247 moesten betalen. De totale kosten van de droogmaking worden beraamd op ruim 1,6 miljoen gulden. Grootste investeerders waren de uit Antwerpen afkomstige gebroeders Hendrik en Dirk van Oss. Hoewel de broers in naam alles samen deden was Hendrik de 'stille vennoot' op de achtergrond terwijl Dirk de ondernemer was. Bij de kaveluitgifte in 1612 verkregen ze bijna 1100 morgen land, ongeveer 1/7 van de nieuwe grond. Dat had hen ruim een kwart miljoen gulden gekost (vergelijkbaar met vandaag ongeveer 3,5 miljoen euro).
Nadat de initiatiefnemers toestemming hadden verkregen om het project uit te voeren, gingen zij voortvarend van start. Er moesten nogal wat voorbereidende werkzaamheden worden verricht voordat er een spade de grond in kon. Allereerst gaf men aan landmeter Pieter Cornelisz Cort opdracht om een zo nauwkeurig mogelijke kaart van het Beemstermeer en omgeving te maken. Ook moesten de heren bedijkers onderhandelen met het hoogheemraadschap van de Uitwaterende Sluizen over de afwatering. Het hoogheemraadschap stond zeer sceptisch tegenover de plannen omdat door de droogmaking de waterberging in de Schermerboezem aanzienlijk zou verminderen. Deze onderhandelingen leidden tot een contract waarin onder andere werd vastgelegd dat op kosten van de bedijkers een afwateringskanaal naar Schardam zou worden aangelegd. En in 1607 werden eveneens overeenkomsten afgesloten met de omringende dorpen en steden en met individuele landeigenaren. De geplande omringdijk zou immers op de oevers van het meer worden aangelegd en daartoe moest dit land eerst worden aangekocht.
Na de aanleg van de ringdijk werd begonnen het water uit het Beemstermeer weg te malen door 26 windwatermolens. Een zware storm in januari 1610 deed de bijna droge polder echter weer vollopen zodat men opnieuw kon beginnen. Enkele participanten haakten af, maar onder aanvoering van Dirk van Oss besloten de overigen het werk voort te zetten. Nieuwe deelnemers werden gevonden, vooral in de kringen van uit de Zuidelijke Nederlanden afkomstige kooplieden. Ditmaal deden 40 molens het werk. In de zomer van 1612 was de klus geklaard, het meer was droog!
Tekst: Katja Bossaers 2009®
|