Op bezoek in een werelderfgoed
Eind juli 1612 bekeken de Prinsen Maurits en Frederik Hendrik de zojuist drooggevallen Beemster. Zij waren de eerste bezoekers van wat een van de mooiste droogmakerijen van Holland zou worden. Op dat moment was het
land nog leeg, maar spoedig zouden huizen, boerderijen en prachtige buitenplaatsen verrijzen in het nieuwe land.
Nieuwe investeringsmogelijkheden
De prinsen waren uitgenodigd door de mannen die het gedurfde plan hadden gerealiseerd. Een groep Amsterdamse kooplieden en Haagse bestuurders had in 1607 toestemming gekregen om het grootste meer van noordelijk Holland droog te maken. Door inklinking van het oorspronkelijke veen, stormvloeden en afkalving waren in het gebied ten noorden van Amsterdam grote meren ontstaan. De toenemende wateroverlast bedreigde de steden. Daarbij was door
de groeiende stadsbevolking een steeds grotere behoefte aan landbouwgrond voor de voedselvoorziening.
De door de handel rijk geworden kooplieden zochten naar nieuwe investeringsmogelijkheden en bedachten plannen
om de grote meren droog te maken.Door nieuwe technische ontwikkelingen konden deze plannen worden gerealiseerd.
De bedijkers zochten voor de technische uitvoering van het project de molenmaker Jan Adriaansz uit De Rijp
aan. Zijn successen brachten hem later de (bij)naam Leeghwater.
Na de aanleg van de ringdijk werd begonnen het water uit het Beemstermeer weg te malen door 26 windwatermolens.
Een zware storm in januari 1610 deed de bijna droge polder echter weer vollopen zodat men weer opnieuw kon beginnen. Ditmaal deden 40 molens het werk. In de zomer van 1612 was de klus geklaard, het meer was droog!
|