Fruitbomen
Fruitbomen komen in allerlei vormen voor: hoogstam, halfstam, struik, spil en leiboom. oogstambomen (stamhoogte ± 1.80 meter) en halfstambomen (stamhoogte ± 1.20 meter) waren heel lang de overheersende vormen. Ze waren geënt op een type onderstam die aan de boom een sterke groei gaf en een forse omvang (kroondiameter ± 10m.). De onderlinge afstand van zulke bomen moet dus groot zijn. Dat creëert ruimte - een ruimte waarin vroeger kleinvee werd gehouden. In de boerenbongerds is dat nog steeds het geval.
Het zijn in het bijzonder de hoog- en halfstamfruitbomen die de schoonheid van het landschap verhogen. Dat valt vooral op in het voorjaar tijdens de bloei. Die begint in april met de witbloeiende pruimenbomen. De perenbomen komen wat later in bloei gevolgd door de roze bloeiende appelbomen.
De struik is een boomvorm met een korte stam of vertakkend vanaf het maaiveld. Daardoor is het fruit gemakkelijker te plukken maar voor kleinvee is weinig ruimte. Ook deze bomen kunnen een grote omvang hebben indien ze op een sterke onderstam zijn geënt. Nog gemakkelijker te plukken zijn de spillen.
In de loop van de vorige eeuw werd het meer en meer de gewoonte om bomen te enten op een zwakke onderstam. Hierdoor groeit de boom langzamer, blijft ook klein, maar geeft veel eerder vruchten. In combinatie met snoeien ontstaat aldus een boompje met een kroondiameter van 0.5 -1.5 meter, de zogenaamde spil. Dicht op elkaar staand geven deze boompjes de fruitkweker een veel grotere oogst dan hij met hoog- of halfstambomen zou kunnen halen. In de productieboomgaarden zijn die laatsten dan ook verdwenen.
|