| Stolpen in de Beemster
De stolp was vanaf het midden van de zestiende eeuw in West-Friesland het algemeen voorkomende boerderijtype. De landschapsinrichting van de Beemster gebeurde volgens een strak plan gericht op uiterste doelmatigheid. De grootte van de kavels was daarop afgestemd en ook de bouw van de boerderijen. De stolp was uitermate geschikt voor middelgrote agrarische bedrijven. In de Beemster werden in hoog tempo stolpen gebouwd volgens een vaste tekening en ontwerp. Al in 1637, net 25 jaar na het droogvallen, stonden er zo'n 200 stolpen in de Beemster. En ook nu nog is de Beemster met ruim 350 stuks de gemeente met de meeste stolpen.
Veel stolpen werden gebouwd als pachtboerderijen. De rijke eigenaren woonden in de grote Hollandse steden en verbleven vooral in de zomermaanden - als het in de stad door warmte en stank niet prettig toeven was - op hun boerderijen in de herenkamers aan de voorzijde. Zij introduceerden de sierlijke gevels van hun grachtenpanden in de bouw van hun boerderijen. Zo ontstond de herenboerderij met een symmetrische voorgevel met een deur in het midden en een prominente topgevel in trap-, klok- of halsmotief. De tuin en het erf werden naar de mode van die tijd ingericht en aan de weg kwam een voorname houten poort.
Dit statige type boerderijen treffen we nog op enkele plaatsen in de Beemster aan zoals de Eenhoorn (1682) en de Lepelaar (1683) aan de Middenweg, Portugal (1780) aan de Westdijk, Broedersbouw (1742) aan de Oostdijk en Hoogerlust (1864) aan de Jisperweg.
In de tweede helft van de negentiende eeuw brak een periode aan waarin de landbouw een ongekende bloei doormaakte.
Ook in de Beemster had dit tot gevolg dat vele nieuwe boerderijen werden gebouwd of oudere exemplaren werden vernieuwd naar de mode van die tijd. In de gevels werd meer steen toegepast, de rieten daken werden vervangen door dakpannen, de raamindeling veranderde met groter glasoppervlak, gebruik van tuindeuren in de voorgevel en de toepassing van gietijzer voor hekken, poorten en ornamenten raakte in zwang. Uit die tijd stammen de boerderijen met aan de topgevel weelderig houtsnijwerk, een gietijzeren rooster op de deur en in het bovenlicht een kunstig gevormde levensboom.
Goede voorbeelden hiervan zijn: Boschrijk (1850), -een late echo van een Beemster buitenplaats- en een aantal boerderijen aan de Middenweg zoals de nummers 2 (Zonnehoek), 95, 190 en 193 (De Kleine Bijenkorf), Volgerweg (26), Jisperweg (44) en Wormerweg 2 ('t Woud).
Tot ongeveer halverwege de twintigste eeuw bleef de stolpboerderij het gangbare type. De vorm bleef gelijk ook al werd het uiterlijk strakker en moderner. Maar de schaalvergroting in de jaren '50 en '60 was niet meer in te passen, de oude boerderij werd ongeschikt als bedrijfsgebouw. Her en der verrezen loopstallen voor het vee en werden de stolpen gesloopt om plaats te maken voor een bungalow van alle moderne gemakken voorzien.
|