Jan Adriaenszoon Leeghwater woonde in De Rijp. Hij verdiende zijn brood met timmerwerk, als molenmaker. Hij was zeer betrokken bij het water en vertoonde zijn "consten" door een kwartier onder water te blijven, met zijn hoofd in een omgekeerde ton. Leeghwater keek vaak over het Beemstermeer en zag bij storm de oever van het Schermereiland door het opspattende water afkalven. Hij hoorde dat rijke kooplieden uit Amsterdam het meer wilden bedijken en vervolgens leegpompen. 'Hier zijn veel molens voor nodig,' dacht Jan Adriaenszoon, en bood zijn diensten aan. Zijn kennis en vaardigheden werden benut. Jan Adriaenszoon Leeghwater werd betrokken bij het maken van de plannen. Hij zag het kaartmateriaal en de metingen en werd als opzichter aangesteld om toezicht te houden op de bouw van de molens.
Een ringvaart werd gegraven en een stevige dijk opgeworpen. In mei 1612 viel het meer droog. Leeghwater en zijn medewerkers gebruikten bij de strijd tegen het water 43 molens.
|
Er stond echter een nog grotere klus voor de boeg: het aanleggen van de (klei)wegen, het graven van de wegsloten, kavelsloten en tochten. De situering ervan diende via een strak geometrisch patroon van vierkanten te geschieden. Zo werd het 17e eeuwse ideaal van de relatie tussen de mens en omgeving -harmonie- weerspiegeld.
Er werden molens bijgeplaatst en molens verplaatst. Het toenmalige polderbestuur lukte het om onder normale omstandigheden met 50 molens de polder droog te houden. Een prachtige droogmakerij ontstond. Goed om te boeren, met vruchtbaar land en hoge opbrengsten. En, ook toen al gewild om te wonen in de vaak uitzonderlijke buitenverblijven.
|